artikel

Veilig laden van accu’s (2003-10)

Techniek Premium

Tijdens het laden van loodaccu’s komt waterstof vrij. Omdat waterstof een explosief gas is moeten acculaadruimten geventileerd zijn. Volgens een collega kan er ook waterstofsulfide of zwavelwaterstof bij vrijkomen. Dit is niet alleen explosief maar ook zwaar giftig. Kan het bij niet goed geventileerde ruimten tot voor mensen gevaarlijke situaties leiden?

We legden ons oor te luisteren bij de specialisten van Varta Autobatterijen in Rotterdam. Men antwoordt het volgende:
In het Besluit inrichtingen voor motorvoertuigen milieubeheer 8.40 Stb 262 13 juni 2000 staat in artikel 2.2.10: Een werkplaats is zodanig geventileerd dat, ter voorkoming van brand- of explosiegevaar, voldoende ventilatie is gewaarborgd om gassen of dampen die ontstaan bij lekkage of werkzaamheden, af te voeren.
Het Nederlands Normalisatie Instituut in Delft geeft de NEN 1010 uit. De rubriek 723 geeft aanbevelingen over de inrichting van accuruimten, accukasten en acculaadstations. Van NEN in Delft en de Technische Commissie van de BMWT in Leidschendam verschijnt in november een nieuwe Nederlandse Praktijkrichtlijn Acculaadinrichtingen. Deze praktijkrichtlijn wil duidelijkheid scheppen door standaardisaties, dat maakt het werken met acculaadprocessen eenvoudiger en veiliger.
Zoals uit deze korte beschrijving blijkt zijn de richtlijnen en aanbevelingen voornamelijk gericht op stationaire batterijen (telefooncentrales) en tractiebatterijen voor elektrische vorkheftrucks. Bij tractiebatterijen met open cellen kan een zwavelzuurnevel ontstaan. Deze nevel veroorzaakt corrosie van onvoldoende beschermde metalen delen. Zuurnevel daalt naar de grond, daarom is in deze ruimten een laag bij de vloer aangebrachte ventilatie noodzakelijk.
Voor de automotive sector geldt dat het laden van accu’s in een zo groot mogelijke (geventileerde) ruimte moet plaatsvinden. Met vijfvoudige zekerheid moet men zorgen dat een ontplofbaar mengsel van waterstofgas en lucht met concentratie van 4% niet kan ontstaan.
Aan het einde van de lading ontstaat, uitsluitend bij ongeregelde laders, een spanning van circa 2,35 Volt tot 2,4 Volt die kan oplopen tot 2,65 Volt per cel. De fase vanaf 2,35 Volt wordt ook wel gasspanning genoemd. Gedurende deze fase (de batterij is reeds 80% geladen) kan zich waterstofgas ontwikkelen. Bij startbatterijen gaat het om relatief geringe hoeveelheden. Ook het aantal batterijen dat gelijktijdig geladen wordt is in het algemeen gering. Er kan van worden uitgegaan dat een ruimte met deuren en vensters, waarin voldoende roosters en/of afvoerkanalen zijn aangebracht, door natuurlijke ventilatie eenmaal per uur wordt ververst.
Moderne startbatterijen kan men laden zonder stoppen te verwijderen. Wel moet het ontluchtingskanaal en/of de stoppen schoon zijn, zodat bij overlading eventuele gasontwikkeling kan ontsnappen. Waterstofgas is lichter dan lucht en zal zich ophopen onder plafonds. Bij het laden van startaccu’s is er geen gevaar voor vorming van zwavelzuurnevel.

Reageer op dit artikel