Geplaatst: 14-02-2009 21:32
p0251 is een probleem met de brandstoftoevoer van de commonrail. als de pcm de regelklep een aantal seconden open zet, en er komt geen druk in de rail, wordt deze code opgeslagen. krukas positie sensor moet afgesteld worden, mag alleen gemonteerd worden als er een tand van het vliegwiel precies in het midden van het gat staat. er zitten een soort slijtnokjes op de sensor, als deze weg zijn, nieuwe halen. sensot met de nokjes tegen een tand aan zetten. monteren als er geen tand in het midden van het gat zit, vrijwel direct schade aan de sensor. code P0340 of P0335 kwam wel eens voor, is van het nokkenaspositie signaal (nodig om aan te slaan) als je een zwarte sensor hebt, vervang hem dan voor een gewijzigde (grijze). succes
Symptomen:
• Extreem slechte motorprestaties - gloeibougiecontrolelamp knippert.
• De motor slaat af - gloeibougiecontrolelamp knippert.
• De motor start niet.
Oorzaak:
• De door het systeem gevraagde druk in de brandstofverdeelleiding kan niet worden verkregen zonder dat de IMV-opening buiten de voor de betreffende druk gespecificeerde tolerantie ligt.
• N.B.: De opgesomde storingen moeten in de aangegeven volgorde worden gecontroleerd!
1. Blokkering van het lagedrukgedeelte van het brandstofsysteem, wat kan worden veroorzaakt door een blokkering van een brandstofleiding of het brandstoffilter of door een beschadigde brandstofleiding. Raadpleeg voor aanvullende informatie de werkplaatsdocumentatie, hoofdstuk 303-04, Diagnose en test van een geblokkeerd filter.
2. Lucht in het lagedrukgedeelte van het brandstofsysteem: Controleer met behulp van doorzichtige slangen (zie TSB 107/2003) of zorg voor in de handel verkrijgbare gefilterde brandstoftoevoer op afstand voor de brandstofinspuitpomp om het lagedrukgedeelte van het brandstofsysteem volledig als storingsoorzaak uit te sluiten. Lekkende brandstofleidingen of -aansluitingen kunnen de oorzaak zijn van lucht in de brandstof.
• N.B.: Bij het gebruik van doorzichtige slangen is een kleine hoeveelheid lucht in het systeem normaal vanwege een permanent ontluchtingsgat in het brandstoffilter. Recirculatie van de brandstof vindt plaats via het brandstoffilter tot de temperatuur van de retourbrandstof hoger dan 40 °C is (lucht in het systeem wordt dus gerecirculeerd tot de temperatuur hoger is dan 40 °C en de brandstof wordt teruggevoerd naar de brandstoftank).
3. Defecte brandstofinspuitpomp, opvoerpomp of drukregelklep. De inwendige opvoerdruk van de brandstofinspuitpomp dient minimaal 6 bar te zijn om de hogedrukkamer te vullen (het genereren van de gewenste druk in de brandstofverdeelleiding). Controleren (wanneer de motor niet start):
- Zorg voor in de handel verkrijgbare gefilterde brandstoftoevoer op afstand voor de brandstofinspuitpomp. Als de motor start wanneer de brandstoftoevoer van druk wordt voorzien of boven de inlaat van de brandstofinspuitpomp wordt gehouden (voeding via zwaartekracht), maar niet start wanneer de brandstoftoevoer niet van druk wordt voorzien of onder de inlaat van de brandstofinspuitpomp wordt gehouden, dan is er waarschijnlijk een storing in de interne opvoerpomp (er kan geen brandstof worden aangezogen).
4. Defecte brandstofinspuitpomp - hogedrukgedeelte of regelstoring brandstofdoseerklep (IMV):
- Voer met het WDS een geleide diagnose - brandstofdruktest (verschijnsel "niet starten" of "slecht rijgedrag") uit.
- Controleer de brandstofdruk (contact AAN, motor UIT) (de druk moet fluctueren tussen minimaal 4 en maximaal 10 bar). Als een standaard brandstofdruk van 2000 bar wordt aangeduid, dan is er een storing bij de brandstofdruksensor (stekker, bedrading etc.).
LET OP: Bedien de startmotor niet langer dan 5 seconden. De brandstofinspuitpomp raakt beschadigd door lang of herhaaldelijk bedienen van de startmotor en geen opvoerdruk.
- Controleer de brandstofdruk op het moment van starten (richtwaarde = 300 ± 50 bar).
- Controleer de brandstofdruk tijdens stationair draaien (richtwaarde = 250 ± 40 bar).
5. Verstuivers:
- Voer een brandstofretourhoeveelhedentest uit met de geleide diagnose van het WDS. Bij deze test wordt gebruik gemaakt van speciaal gereedschap 310-129 (zie TSB 106/2003). Wanneer hoge retourhoeveelheden voorkomen, controleer dan een brandstofmonster uit de retourleiding van de brandstofinspuitpomp op zwarte metalen deeltjes. Ga verder met de volgende stap.