artikel

Uitlijning van een C-Kadett (2002-03)

Werkplaats & Onderhoud

Kunt u eens ingaan op de afstelling van het camber en caster en de juiste werkwijze bij de wieluitlijning van een Opel Kadett C (1973-1979)?

Camber (ook wel wielvlucht genoemd) is de positie van het wiel ten opzichte van een denkbeeldige lijn getrokken naar het wegdek. Een positieve wielvlucht geeft aan dat het wiel aan de bovenzijde naar buiten helt. Bij een negatieve wielvlucht helt het wiel aan de bovenzijde naar binnen. In beide situaties gaan we er vanuit dat de wielen in de rechtuitstand staan. De wielvlucht wordt gemeten in graden; het is namelijk een hoek die wordt gevormd door de middellijn van het wiel ten opzichte van een loodlijn gerelateerd aan een vlakke ondergrond. Als het wiel loodrecht staat is de wielvlucht 0°.

Caster noemen we ook wel de fuseelangshelling. Dat is de helling die de (in het geval van de Kadett) denkbeeldige fuseepen aanneemt ten opzichte van een loodlijn getrokken naar de ondergrond door het midden van het wiel. De Kadett C heeft geen fuseepen, maar fuseekogels. Trekken we een lijn door het midden (het werkelijke draaipunt) van de onderste en bovenste kogel, dan hebben we een denkbeeldige fuseepen. De verhouding van deze lijn tot de loodlijn door het wielmidden resulteert (bij de Kadett C) in naloop. Het wiel wordt als het ware gesleept, omdat het wielmidden achter de lijn getrokken door de fuseekogels ligt (te vergelijken met de wielen van een winkelwagentje).

Het caster moet bij de Kadett C (afhankelijk van de uitvoering) tussen +2°30’ en 5°30’ liggen; maximaal verschil tussen het linker- en rechterwiel 1°. Het camber dient -1°15’ tot +0°15’ te bedragen. Maximaal verschil tussen beide wielen 1°; is dit meer, dan bestaat de kans dat de auto naar één kant trekt.

Het wijzigen van het caster gebeurt bij de Kadett C met behulp van vulringen die tussen de astraverse en de draagarmen zijn gemonteerd. Maximaal kan hiermee een verandering van 50’ worden bereikt.

Het camber kan worden veranderd door de fuseekogel een halve slag verdraaid te monteren. Er ontstaat dan een verandering van 0°50’. Caster en camber zijn aan elkaar gerelateerd. Heeft het caster een hoge waarde en is het camber eveneens (maximaal) negatief, dan kan dit een averechtse werking op het bochtengedrag hebben. Het buitenste wiel, waar in de bocht de meeste druk op wordt uitgeoefend, komt ‘platter’ te liggen, waardoor er minder rubber op het wegdek komt. Dat betekent minder hechting door het kleinere contactvlak (‘voetprint’) van de band. Teveel camber zorgt ervoor dat tijdens het inveren bij het remmen, de voorwielen (nog) meer naar binnen kantelen. Ook dan wordt het contact met de weg minder, waardoor het remvermogen afneemt (en de bandenslijtage toeneemt). Volgorde van het uitlijnen: caster, camber en ten slotte de sporing.

Reageer op dit artikel